De begrafenis

Naar aanleiding van een ikje plaatste ik op een forum deze reactie:

“Toen mijn vrouw in haar kist was te bezichtigen, was dat een heel vervreemdend moment: ik zag mijn vrouw die mijn vrouw niet meer was. Achteraf had ik liever niet gekeken en ook anderen niet laten kijken. Ze noemen het afscheid nemen, maar dat is het niet. Van een dode neem je geen afscheid, aangezien die al weg is.

Die uitspraak bracht nogal wat commotie teweeg. Mijn reactie werd een shockerende ontboezeming genoemd. Exhibitionistisch en een vorm van privacyschending. Ongepast en niet acceptabel. Iemand maakte enkele denigrerende opmerkingen. Die wekten boosheid bij me op. Dat zette me aan het denken. Ik kwam tot de conclusie dat achter mijn woede het grote verdriet schuilging dat altijd bij me zou blijven.

Op de dag dat mijn vrouw begraven werd, was het snikheet. Het was eind juli 2003. Door het zomerse weer was het grasveld op de uitgestrekte begraafplaats veranderd in een lappendeken van gele en bruine plekken. De aarde was verschroeid.

Na het overlijden van mijn vrouw moest ik besluiten of ze begraven of gecremeerd zou worden. Ik koos voor een begrafenis. Dat zou minder spanning geven dacht ik. De begraafplaats en het rouwcentrum werden vastgesteld, de rouwbrief en de uitnodigingen verstuurd. Het standaarddraaiboek werd afgewerkt. Het liet mij draaien in plaats van omgekeerd.

Mijn vrouw was te bezichtigen in het rouwcentrum. De genodigden konden daar een laatste blik op haar werpen. Mijn dochter en ik gingen als eersten het kamertje binnen. Ik ervoer een gevoel van vervreemding toen ik in de kist keek en mijn vrouw zag liggen. Het was alsof zij het niet was en eigenlijk was zij het ook niet meer. Maar wat ik zag, staat op mijn netvlies gebrand. Telkens als dat beeld voor mijn geestesoog verschijnt, moet ik proberen om de vervreemding de baas te worden. Door terug te denken aan het werkelijke afscheid.

Zij stond op het punt om te sterven, ik zou blijven leven. Toch was het contact tussen ons toen misschien wel intenser dan ooit. Met en zonder woorden beleefden we samen de essentie van onze relatie. Ik kan me alles nog tot in de details herinneren.

Ik was het boek waarin de genodigden een persoonlijk bericht konden schrijven vergeten. Daarom moest ik tussendoor naar huis. Een kort moment van ontspanning, want ik was zo gespannen als een veer. Ik had de aanvechting om thuis te blijven en alles aan me voorbij te laten gaan. Terug in het rouwcentrum sloeg de spanning weer toe. Het wachten was op het moment dat de laatste bezoeker het kamertje uit zou komen. Het duurde eindeloos.

Met mijn dochter had ik afgesproken dat er geen muziek en geen toespraken zouden zijn. Die bekers gingen aan me voorbij.  Mijn dochter had haar twee beste vriendinnen uitgenodigd. Ze waren er allebei. Het ging goed met haar, ze was niet ontroostbaar, niet van streek. Haar vriendinnen vingen haar op. Anders had ik al mijn aandacht op haar moeten richten en was er geen ruimte geweest voor mijn allesoverheersende gevoel van radeloosheid.

Het gat waarin de kist met mijn vrouw zou verdwijnen was al gegraven. De grond was kurkdroog. De zon scheen fel. Ik moest me beheersen om niet weg te rennen. De meters die ik moest afleggen om de kist naar het graf te dragen leken kilometers.

Meer dan ééns heb ik met mijn dochter besproken of we een steen zouden leggen op de plaats waar mijn vrouw begraven is. Dat hebben we niet gedaan. Geen van ons beiden heeft ooit de behoefte gehad om het graf te bezoeken. We zijn er nooit meer geweest.

IMG_0004