Kopje onder

zie deel 3 hier

Ik heb als jongen van negen zwemles gehad in het Wassenaarse Sportfondsenbad. Toegegeven, dat is geen spectaculaire mededeling. Laat ik directer zijn: zwemmen is een sport die gerund wordt door onvervalste fascisten. “Een boude bewering!”, roept u? Jazeker, maar het is waar. Ik ga u uitleggen waarom.

Badmeesters en badjuffrouwen doen er alles aan om kinderen te terroriseren. Ik kan het weten, want ik heb aan die zwemlessen in dat Sportfondsenbad hardnekkige watervrees overgehouden. Pas op aanzienlijk latere leeftijd heb ik daar korte metten mee kunnen maken, maar nog steeds ben ik allergisch voor zwembaden. En hoewel ik me als een Vis in het water zou moeten voelen, is dat allerminst het geval. Allemaal de schuld van die sadistische beulen in Wassenaar.

Wij woonden in waterrijk gebied met een brede sloot pal voor de deur. Een vriendje had een veel oudere zus die aan het Sportfondsenbad Wassenaar was verbonden. Later zou ze de assistente en medeplichtige van onze tandarts worden, een notoire kinderfolteraar. Aan die man heb ik een dijk van een tandartsfobie overgehouden, maar een andere keer meer daarover. U houdt dat nog van me tegoed.

“Flip gaat op zwemles in Wassenaar,” vertelde ik mijn moeder, “zijn vader brengt hem met de auto”. “Vraag maar of je mee mag rijden”, antwoordde ze praktisch. Dat deed ik. Het mocht van Flips vader, een vriendelijke, zwijgzame man met een scheef gezicht en enorme flaporen. Hij vervoerde ons elke donderdagavond in de achterbak van zijn auto naar Wassenaar. Met ons zwemrolletje onder de arm werden we bij het zwembad afgeleverd.

“Opschieten! opschieten!”, brulden de zwembadbeulen aan één stuk door, terwijl wij precies één minuut de tijd hadden om ons om te kleden. Daarna werden we onder het mom van zwemles een uur lang te grazen genomen.

Eerst werden we een bloedheet poliobad ingejaagd. We stonden er met z’n allen tot aan onze kin in het kokend hete water te zweten als otters. Een geliefd tijdverdrijf van de zwembadsadisten was een spelletje dat heel toepasselijk ‘Jan Huigen in de ton’ werd genoemd, want we zaten met velen in het kleine badje als haringen in een ton. Tijdens het zingen van dat liedje werd je onverhoeds met je kop onder water geduwd en moest je je uiterste best doen om, hoestend en proestend, weer boven water te komen. Nog droom ik soms dat ik ternauwernood aan de verdrinkingsdood ontsnap om steevast met bonzend hart wakker te worden, even benauwd als ik het in dat poliobadje had.

Nadat we bijna levend waren verbrand, werden we tot diep in de herfst naar het buitenbad gedirigeerd. Je moest dan minutenlang naar adem happen door de plotselinge overgang van extreme hitte naar bittere kou. Het grootste deel van de tijd stond je bibberend op de kant met je zwemplankje in je hand de commando’s van je kwelgeesten af te wachten: “Intrekken, wijd, sluit! Uitdrijven! Vingers in de lucht!”. De frisse Wassenaarse zeewind zorgde ervoor dat je niet kon ophouden met rillen en er zelfs naar verlangde om het ijskoude water in te mogen. Desnoods kopje onder.

Ik pleegde tijdens het afzwemmen stille sabotage door de vereiste afstand in het ondiepe gedeelte lópend af te leggen. De zwempolitie had het niet in de gaten, zo geraffineerd was ik wel. Het gaf enige genoegdoening, maar lang niet genoeg om geen levenslange afkeer van zwembadpersoneel te hebben. Vanzelfsprekend heb ik nooit mijn B-diploma gehaald.

zie deel 5 hier

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s