Kommer, kwel en roem

een of andere psychzie deel 5 hier

Wie denkt dat mijn jeugd een en al kommer en kwel was, moet ik teleur- of geruststellen. Allereerst weet een kind niet beter dan dat wat het meemaakt gewóón is, omdat het zich niet buiten zijn eigen leven kan denken of voelen. En op de vraag van een of andere denkbeeldige psych: “Maar Kees, was het echt allemaal zo erg, die jeugd van je, en was er dan helemaal niets waar je met enig genoegen op terugkijkt?”, zou ik het volgende antwoord geven: “Waarde psych, natuurlijk waren er ook leuke dingen. U denkt toch niet dat ik zo’n fantastisch mens was geworden als die er niet geweest waren? Anders had er nu een seriemoordenaar voor u gestaan, of op zijn minst een vrouwenmishandelaar”.

Heb ik niet verteld dat ik als lid van het katholieke jongenskoor de belangrijkste solistenrol heb mogen vertolken ten overstaan van een stampvolle kerk? U hebt ook kunnen lezen dat ik aanvoerder was van het voetbalelftal van mijn lagere school, de meest prestigieuze officieuze functie die een schooljongen zich maar kon wensen. Want onze school had een prijzenkast die uitpuilde van de bekers en wij hadden bij alle lagere scholen van ons dorp een voetbalreputatie die in beton was gegoten. Het viel niet mee om oefenwedstrijden te organiseren tegen de andere, merendeels protestantse scholen. Ze vreesden terecht met dubbele cijfers verslagen te worden en roemloos af te druipen.

blauw oogOp het schoolplein behoorde ik tot het zeer selecte groepje jongens dat een leidende rol had zonder daarvoor tot bloedens toe te hoeven vechten. Bijna alle anderen hadden daar letterlijk hard voor moeten knokken en builen, blauwe ogen en bloedneuzen voor moeten oplopen. Bij het spel riddertje te paard had ik als vanzelfsprekend altijd het beste paard. Voor het speelkwartier stond hij al uitnodigend klaar. Ik sprong soepel op zijn rug, riep “Kom op, paard!” en het gevecht begon. Het was de bedoeling om alle andere ridders van hun paard te trekken. Meestal knapte mijn paard het vuile werk op. Met één arm, mij met zijn andere vastklemmend. Ik hoefde ik me slechts op zijn rug in positie te houden om alle vijandige ridders vaak met paard en al hardhandig te vloeren. Het was een waar slagveld dat mijn oersterke paard en ik samen aanrichtten.

Ook al werden intellectuele vaardigheden niet hoog aangeslagen onder de rangen der jongens, omdat het fysieke element en natuurlijk gezag een veel belangrijker rol speelden in het tot stand komen van de hiërarchie op het schoolplein, het deed geen afbreuk aan mijn status dat ik de beste van de klas was en door de hoofdonderwijzer als hulpkracht werd ingezet. Op minzame wijze legde ik de andere jongens uit hoe ze hun lastige verhaaltjessommen over aantallen potloden, wie hoeveel centen had en gemiddelde snelheden per uur konden oplossen en wijdde hen zonder morren in de geheimen van de werkwoordvervoeging en grammatica in.

lagere schoolEn, ook niet onbelangrijk, ik was populair bij de meisjes. De twee meiden die achter me zaten en al een flink voorschot op de puberteit hadden genomen, probeerden telkens mijn aandacht te trekken door me giechelend en kirrend te voorzien van kneepjes in mijn nek, zachte porretjes in mijn zij en aaien over mijn bol, die ik enerzijds met tegenzin maar anderzijds ook wel gestreeld over mijn kant liet gaan, in de wetenschap dat ik niet alleen jaloerse maar bovenal ook bewonderende blikken oogstte van mijn kameraden van de tweede garnituur. Hoewel ik het eerlijk gezegd enigszins gênant vond, had ik ook een vriendinnetje, dat nog wel in de dure wijk van het dorp woonde en waar ze na schooltijd chocomel dronken in plaats van thee. Met luxe koekjes in plaats van droge mariakaakjes.

Last but not least was ik all time recordhouder in sportprestaties. Ik was de eerste en enige van de school die van de vierde tot en met de zesde het allerhoogste had behaald wat er op de schoolsportdag te behalen viel: het E-diploma. Toen ik op mijn tiende het eerste diploma van die trits had behaald, vond mijn schooldiploma lich. oefening Eonderwijzer dat zo opmerkelijk dat hij mijn moeder daar speciaal van op de hoogte bracht: “Mevrouw, uw zoon heeft iets heel bijzonders verricht op sportief gebied.” “Oh leuk”, zei mijn moeder plichtmatig en haalde licht haar schouders op. Het interesseerde haar geen biet, maar mijn roem was in de vierde klas al dorpswijd verbreid. Ook op de andere lagere scholen was zoiets nooit eerder voorgekomen.

Diezelfde vierde klas was gehuisvest in een dependance van de school. Eens per week gingen we op de fiets naar het hoofdgebouw om film te kijken. Onze dependance lag een eind buiten de dorpskern, en het ging erom wie als eerste bij het hoofdgebouw aankwam. We lieten onze kettingen zo strak zetten als lieren en pompten onze fietsbanden tot berstens toe vol lucht. Ik won wekelijks op mijn tweedehandsje, ook al zat ik in de meest ongunstige rij en vertrok ik noodgedwongen met achterstand op mijn concurrenten.

Misschien dreigen er nu lezers te gaan twijfelen aan de juistheid van de titel van deze serie. Daar is geen enkele reden voor. In de vijfde klas deed zich het merkwaardige fenomeen voor dat ik gegrepen werd door de angst dat mijn hart er elk moment mee op kon houden. Dat nam dusdanige vormen aan dat ik bijna constant mijn hand op mijn hart legde om te controleren of het nog klopte. Ja, ik was heus wel zo snugger om te bedenken dat dat nergens op sloeg. Ik voelde op mijn klompen aan dat er iets mis met me was.

hartneuroseAl snel kon ik mijn hartslag voelen zonder de vinger aan de pols of de hand op het hart te houden. Daar kwam nog bij dat ik last kreeg van tachycardie. Mijn hart ging dan in de zesde versnelling en produceerde enkele honderden slagen per minuut. Dat voedde de angst voor een hartstilstand weer en zo ontstond er een hardnekkige vicieuze cirkel. “Ga maar naar de dokter”, zei mijn moeder op den duur. Na lang wachten in een eivolle wachtkamer stelde onze huisarts met nasale stem zijn diagnose: “Je hebt een hartneurose”. Ik had geen flauw idee wat dat inhield en zonder iets te zeggen ging ik heen, nog angstiger dan ik was gekomen en een wachtkamerfobie rijker.

Bij het zangkoor was ik een keer flauwgevallen. Ik was zonder te eten van huis gegaan en stond om een uur of acht ’s ochtends in een ijskoude kerk te zingen toen het me plotseling zwart voor de ogen werd en ik als een dominosteen omviel tegen het koorlid voor me. De dirigent reageerde bliksemsnel en kon me nog net op tijd opvangen. Ik werd afgevoerd naar de sacristie. Een nieuwe neurose was geboren. Bij elk volgend optreden was ik doodsbenauwd dat ik weer neer zou gaan, wat tot gevolg had dat ik stelselmatig voortijdig, bij wijze van preventie, afhaakte.

tandartsEn dan was er nog die andere arts, de tandarts. Hij was niet wat je noemt kindvriendelijk en zelfs erger dan de gevreesde schooltandarts. Wanneer je als versteend in zijn stoel zat en spontaan kaakklem kreeg, had hij daar een eenvoudige maar effectieve remedie tegen. “Mond open!”, riep hij kort maar krachtig en kneep daarbij zo hard met duim en middelvinger in je wangen, precies tussen onder- en bovenkaak, dat je wel gedwongen was om je mond open te doen. Zonder verdoving begon hij vervolgens met zijn martelpraktijken. Dat deed geen goed aan de levensgrote tandartsfobie die ik al had opgelopen in mijn peutertijd, toen ik proefkonijn was voor een vriend van mijn vader die tandheelkunde studeerde.

“Kees moet naar het lyceum”, adviseerde mijn hoofdonderwijzer aan het eind van de zesde klas met grote stelligheid. Hoe meer katholieke jongetjes naar HBS of gymnasium hoe beter. Mijn moeder had daar in eerste instantie geen verweer tegen, maar later zei ze: “Ik wil dat je een test doet, om te zien of je echt wel geschikt bent voor het lyceum”. “Maar mam, ik moet al een toelatingsexamen doen!”, bracht ik daar tegen in. Mijn protest hielp natuurlijk niet. De test viel positief uit, maar had een negatieve invloed op mijn zelfvertrouwen.

Ik was blijkbaar een twijfelgeval en voelde me verre de mindere van alle deelnemers aan het toelatingsexamen in de overvolle kantine van het Leidse katholieke Franciscanenlyceum.

De zon scheen toen ik terug naar huis fietste, maar ik wist met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat ik was gezakt.

zie deel 7 hier

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s