De klap

zie deel 6 hier

sociale dienst rotterdamWe houden elke ochtend spreekuur, behalve op vrijdagochtend. Dan is er alleen een spreekuur voor noodgevallen. Je zit er alleen en het gebeurt regelmatig dat tijdens die anderhalf uur hooguit anderhalve man en een paardenkop langskomen. Maar soms is het onverwacht druk. Natuurlijk krijgt niet iedereen die zich meldt ook een voorschot. Als je vindt dat er inderdaad sprake is broodnood kun je naar het hoofdkantoor bellen. Daar zit een beslissingsambtenaar die alle voorstellen beoordeelt.

Mijn beslissingsambtenaar is een ras Hagenees die niet alleen een volkse slimheid, maar ook een flinke dosis intelligentie en Haagse hardheid bezit. Je moet van goeden huize komen om hem te overtuigen als je zo’n nooduitkering noodzakelijk vindt, want daar heeft hij het niet op. “Het weekend duurt maar zo kort, dat komen ze heus wel door. Voor mij vliegen die dagen ook altijd om.” Dan moet je praten als Brugman om toch je zin te krijgen, want hij geeft niet gauw toe.

Ik voel dat ik eigenlijk niet zo geschikt ben voor dat werk. Het contact met de cliënten verloopt doorgaans heel goed, maar ik ben vaak te gespannen vanwege de afhankelijkheid van die beslissingsambtenaar. Dat komt vooral tijdens het noodspreekuur naar voren. Daarom is mijn houding ten opzichte van de noodgevallen al bij voorbaat nogal krampachtig en stug. Onbewust neem ik de afwijzende houding van mijn beslissingsambtenaar over, om te voorkomen dat ik in een confrontatie met hem in het stof moet bijten.

gebouw waar het spreekuur werd gehouden voor de wijk CharloisHet is een zonnige vrijdagochtend en mijn beurt om het noodspreekuur te houden. Ik voel me meer gespannen dan anders en hoop maar dat er zo weinig mogelijk cliënten verschijnen. Het gaat buitengewoon goed, want vlak voor sluitingstijd heeft zich nog niemand gemeld. Ik ben er al helemaal op ingesteld om de boel af te sluiten en naar het hoofdkantoor te fietsen.

Op de valreep komt er toch nog iemand binnen. Geïrriteerd ga ik met mijn cliënt, een heel forse kerel met rode wangen, de spreekkamer in en neem plaats achter mijn bureau. De man heeft de afgelopen weken al eerder het noodspreekuur bezocht, maar steeds nagelaten om een uitkering aan te vragen. Alleen daarom al zal het een hele kluif worden om iets voor hem te regelen. “Waarom hebt u nog geen aanvraag ingediend? U bent hier toch al eerder geweest?”, vraag ik. Mijn houding is afwerend, waardoor ik onvoldoende oog heb voor de man aan de andere kant van het bureau. “Hoe bent u de afgelopen weken dan doorgekomen?”

“Ik heb wat geld van mijn moeder kunnen lenen”, zeg hij bedeesd. “Nou, en waarom kan dat nu ineens niet meer?”, vraag ik vinnig. Pas achteraf realiseer ik me dat het hoofd van de man steeds roder is geworden, maar op dat moment dringt dat niet tot me door. Ik ben meer met mezelf bezig dan met mijn cliënt. “Het zou misschien … ja, kijk, weet u …”, zegt hij hakkelend en nauwelijks verstaanbaar.

Maar ik dender door: “Maandag kunt u een aanvraag indienen. U kunt vast nog wel een keer wat geld van uw moeder lenen, want ….” vuistslagIneens stoot de man vliegensvlug zijn vuist met volle kracht recht naar voren om mij precies op mijn rechteroog te raken. Ik deins achteruit, breng automatisch mijn hand naar mijn oog en voel iets in die hand vallen.

Eén ondeelbare fractie van een seconde denk ik dat het mijn oog is, maar het is een stukje kunstglas. “Een bril met onbreekbare kunststofglazen meneer, wat wilt u nog meer?”, zo was me door de opticien verzekerd. Ik zit hopeloos klem. Achter mij is een muur, de deur is onbereikbaar. En de man staat op het punt te ontploffen. Hij is opgestaan en staat dreigend voor me, klaar om alle opgekropte woede en frustratie die ik bij hem heb losgemaakt op me bot te vieren.

CharloisAls bij toverslag word ik heel rustig, alsof een ander de regie van me heeft overgenomen. Met mijn armen beschermend voor mijn hoofd zeg ik met heldere stem: “Ik begrijp dat je heel boos bent. Ik stel voor dat je het bij deze ene klap laat en weer rustig gaat zitten, dan lossen we het samen op.” Het blijken onbewust goedgekozen woorden te zijn, want ze weerhouden de man ervan om zich volledig op mij af te reageren.

We gaan allebei weer zitten. “Sorry,” mompelt de man, zelf ook uit het veld geslagen, “dat was helemaal niet mijn bedoeling”. “Dat begrijp ik en ik aanvaard je excuses”, antwoord ik, allang blij dat hij zich verder heeft ingehouden. “Ik ben bang dat er stukjes van mijn brillenglas in mijn oog zitten”, zeg ik. “Ik zal er even naar kijken. Hou je hoofd maar wat naar achteren.” Ik voel intuïtief aan dat ik hem blindelings kan vertrouwen. Heel geconcentreerd en professioneel inspecteert hij mijn getroffen oog en stelt vast dat het schadevrij is.

“Ik ben psychiatrisch verpleegkundige”, vertelt hij. Dat verklaart waarom hij mijn oog kon inspecteren met de rustige houding van agressieeen professional. “Ik kreeg een waas voor mijn ogen toen je doorvroeg over mijn moeder, want daar heb ik nogal wat problemen mee”. “In mijn werk heb ik altijd een enorme hekel aan agressie gehad”, vertelt hij verder. “Vanwege persoonlijke problemen heb ik ontslag genomen en nu heb ik het gevoel dat ik aan de andere kant van de streep ben beland, aan de kant van mijn vroegere patiënten”.

Hoe het met hem is afgelopen weet ik niet, maar mijn nog geen drie jaar durende carrière als bijstandsmaatschappelijk werker zat er bijna op. Ik had mijn onbevangenheid verloren.

zie deel 8 hier

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s