Um romance – Een liefdesgeschiedenis

Aos leitores portugueses

vlag van PortugalAbaixo desta tradução holandesa de um conto breve do escritor português Rui Zink (um sobrenome muito holandês!), você pode ler esse conto em português. Espero que gostar disso. E se quiser aprender a linda língua holandesa, aconselho-lhe a ler a minha tradução também! Desejo-lhe muito prazer.

Voor degenen die geen Portugees kunnen lezen vertaal ik even wat ik mijn Portugese lezers hierboven heb gemeld. Want die automatische vertaalprogramma’s bakken er niets van, zoals u weet.

Rui Zink - Um RomanceOnder deze Nederlandse vertaling van een kort verhaal van de Portugese schrijver Rui Zink (een heel Hollandse achternaam!), kunt u dat verhaal in het Portugees lezen. Ik hoop dat u ervan geniet, en als u de schone Nederlandse taal wilt leren, raad ik u aan om ook mijn vertaling te lezen! Ik wens u veel plezier.

Zoals u in mijn vorige stukje hebt kunnen lezen, ben ik me ongeveer een half jaar geleden gaan interesseren voor het Portugees. Nu moet ik onmiddellijk erkennen dat ik het spreken en begrijpen van het gesproken Portugees allerminst beheers (ik heb onlangs nog naar een verslag in het Portugees geluisterd bij bewegende beelden van de wedstrijd Feyenoord – PSV op internet, maar veel meer dan de namen van de spelers en het met regelmaat uitgesproken woord minutos kon ik niet verstaan).

Een paar dagen geleden vond ik het tijd worden om eens een Portugees boek te proberen. Ik had alvast een bestand met maar stapel boekenliefst 3.000 (!) boeken in het Portugees gedownload, van de meest uiteenlopende schrijvers binnen en buiten Portugal, en het was een hele klus om daar iets geschikts uit te kiezen. Min of meer toevallig, want ik selecteerde vooral op omvang, stuitte ik op onderstaand kort verhaal, gratis verkrijgbaar op internet. Ik heb het naar eer en geweten en naar beste kunnen voor u vertaald. Voor wie het Portugees machtig is, heb ik de originele tekst onder mijn vertaling geplaatst.

Rui Zink – Een Romance (2012)

Rui ZinkRui Zink (1961), is geboren in Lissabon. Hij is schrijver, vertaler en professor op de Afdeling Portugese Studies van de Nieuwe Universiteit van Lissabon en heeft meer dan twintig werken gepubliceerd. Sommige daarvan zijn vertaald in het Engels, Duits, Hebreeuws, Japans, Roemeens, Italiaans, Servisch, Kroatisch en Frans.

Er is dus (nog) niets van hem in het Nederlands vertaald, en in die zin is deze vertaling van zijn korte verhaal Um Romance een primeur.

— • —

Heeft de lezer een momentje? Heeft hij, net als ik, ook de trein gemist en staat hij hier nu ook te wachten? Laat me u dan een verhaal vertellen. Ik zweer dat het de moeite waard is. Het zal het mooiste verhaal zijn dat u ooit heeft gelezen. Goed, misschien niet het mooiste. Misschien is het zelfs niet eens een mooi verhaal. Maar vind het mooi lezer, en  sluit het in uw hart, zoals ik het in het mijne heb gesloten.

Deze geschiedenis vond plaats voordat er mobieltjes bestonden. In de jaren 80, als ik het goed heb. Ik had op een woensdag- of donderdagavond met Aristides afgesproken in een restaurant naast een bioscoop, om daar te eten voor de film begon. Maar hij was zoals gewoonlijk te laat. Om de tijd te doden keek ik om me heen, en tenslotte kreeg ik belangstelling voor een stelletje aan een tafel naast de mijne dat gespannen zat te wachten op een teken van de ander. Dat is, volgens mij, het zoete moment van amoureuze ontmoetingen: de avond waarop er bijna zekerheid is. Zo’n avond was het.

Ik had mijn geoefende blik niet nodig om te zien dat het een romantisch etentje was. Man en vrouw, begin dertig. Zij: mooi en met een nuchtere uitstraling. Hij: een halfzachte. De feromonen waren iets meer dan twintig jaar geleden ontdekt, maar een schrijver heeft geen wetenschappelijke kennis nodig om te weten wat hij ziet (1). romantisch etentjeZichtbare spanning, een romance die eraan zit te komen. Beiden opgedoft, vooral zij. Een romantisch diner. Exact volgens het programma van die tijd: diner > bioscoop > kus. Mijn zekere diagnose liet maar één twijfel toe: dat ze door een onvergeeflijke onzorgvuldigheid de zaak vóór het laatste fluitsignaal zouden uitstellen tot nog een aanval (weer een wedloop, weer een ontmoeting). (1. Door Peter Karlson en Adolf Butenandt (volgens Wikipédia))

Ze spraken zacht, zoals dat gaat in zulke gevallen. Gelukkig was de oplettende observator die ik was niet alleen voorzien van een goed paar ogen en een hoofd met hersens, maar ook begiftigd met oren van goud.

“Sorry, Carolina”, zei hij, “maar ik denk dat we niet kunnen …”

Ik kon mijn oren niet geloven. Hij zei dat op een heel serieuze manier, zijn strot dichter dan een cel van de PIDE (2). Met dat stemgeluid dat iemand maakt wanneer hij iets zéér ernstigs moet zeggen. (2. Weet de lezer niet wat de PIDE was? Ik heb nu geen tijd om het uit te leggen, maar ik kan wel zeggen waar die was gevestigd: op de plaats waar nu dat leuke appartementencomplex staat, in de António Maria Cardosostraat, bij het Chiadoplein.)

Carolina beefde. Wat kan een vrouw doen wanneer ze zoiets hoort? “Sorry, maar ik denk dat we niet kunnen …”

Was er dan geen andere manier waarop die idioot dat kon zeggen? Het spijt me meisje, wat er tussen ons was is voorbij. En ook niet op een andere plaats?

Gelukkig herstelde Carolina zich snel (vrouwen zijn ongelooflijk hierin), als ze al een moment uit haar evenwicht was gebracht: “Wat bedoel je daarmee, Artur?”

Nu was het zijn beurt om iets weg te slikken, zijn keel te schrapen, op zijn hoofd te krabben, enz.

“Nou kijk …. ”

Deze Artur (hij had zelfs het gezicht van een Artur) moest weten dat het moeilijk ging worden. En ik was teleurgesteld in mijn geoefende blik. Ik dacht dat ze die avond hadden en kennelijk eindelijk het grijze gordijn gingen opentrekken dat, vroeg of laat, over de liefdesaangelegenheden valt. Maar ik herpakte me vlug om het dilemma van Artur te kunnen zien: het was duidelijk dat hij haar niet wilde afwijzen, integendeel, hij hield van haar (dat was met het blote oog zichtbaar, of zelfs met dichte ogen), hij begeerde haar (oh, of hij haar begeerde), hij was gek op haar (ja dat was hij zeker). Het probleem was dat … Het probleem … Nu ja, wat was het probleem?

Artur werd gered door de bel, want hun borden werden op tafel gezet. Voor haar canneloni, voor hem lasagne. Een geschikte keuze leek me.

“Carolina, ik wil het niet erger maken dan het al is …”

En Artur nam een hap van zijn lasagne. Er zat een goede en een slechte kant aan die hap. De goede was dat het een effectieve truc was om tijd te winnen, om de verplichte uitleg uit te stellen die het hem, als ze slecht werd gebracht, alleen maar moeilijker zou maken. De slechte was dat dit niet de gelegenheid was om je mond te vullen met iets anders dan alleen woorden. Bij voorkeur zoete, lieve en begripvolle woorden. En begrijpelijke woorden, juist nu, als het niet te lastig zou zijn voor onze nobele ridder. Woorden of een kus. Een zachte kus op haar lippen, over de tafel met alle borden en glazen heen.

Ineens, en vraag me niet hoe, zoals ook een goochelaar zijn geheimen nooit onthult, wist ik alles. Sinds twee maanden gingen ze met elkaar om, en met toenemende frequentie. In haar geval bracht dat een grote logistieke inspanning met zich mee, want ze had twee kleine kinderen. Het computertijdperk was nog niet aangebroken, het internet en Facebook bestonden nog niet, maar het was al wel in de mode om te scheiden met nog kleine kinderen.

Er bestonden verschillende theorieën: een huwelijkscrisis na twee jaar, na vijf jaar, de crisis na … Een aan de dagelijkse werkelijkheid getoetste analyse bewees, veronderstel ik, dat de crisis permanent is. Het is altijd makkelijker om af te breken dan om op te bouwen, om kritiek te hebben dan om te handelen. Of om een belofte te breken – “ik zal voor altijd van je houden” – dan om die naïeve eed in veilige haven te brengen. Een van de vele charmes van Carolina was haar openhartigheid. Een paar keer had zij zelf het initiatief genomen en Artur uitgenodigd om uit te gaan. Zo toonde ze openlijk haar interesse voor hem. Ze wreef hem nog openlijker haar flosdraad in zijn gezicht. Behalve dan dat in die tijd flosdraad alleen maar een touwtje was om je tanden mee schoon te maken.

Ze waren al naar de film geweest. Hadden een wandeling gemaakt. Waren uit eten geweest. Nóg een film gezien. Wéér uit eten geweest. Naar het theater. In die tijd ging je nog naar het theater. Ik weet dat het moeilijk is om te geloven. Beseft de lezer wat het in de jaren 80 betekende als een man en een vrouw uit eten gingen? Er bestond (ik weet niet of het nog zo is, ik ga tegenwoordig weinig uit) een wereld van verschil tussen lunchen en dineren. Je ging niet lichtzinnig dineren. Nee mevrouw! Een diner met z’n tweeën hield, vooral als dat herhaaldelijk gebeurde, een hele belofte in.

Hoe dan ook, welbeschouwd was het bijna altijd Carolina geweest die het initiatief had genomen. Als gescheiden vrouw ging het nu eenmaal zo. Een vrouw buitenspel die weer wil meespelen. Niets mis mee. Ze wilde weer meespelen en het spel wilde ook haar weer. En waarom ook niet? Ze had er het recht toe. Ze was jong, knap, intelligent. En zelfs als ze dat niet was, zou ze het volste recht hebben om het spel te spelen. Het probleem was dat ze blijkbaar de verkeerde partner had gekozen om mee te spelen. Deze Artur … alleen goed voor kameraadschap.

Ik heb een theorie: het zijn altijd de vrouwen die de mannen kiezen. Ik heb ook andere theorieën, en van deze weet ik niet eens zeker of het de mijne is, maar dat is niet belangrijk. Belangrijk is dat die theorie klópt. Verleiden de mannen de vrouwen? Sinds wanneer dan? Ik geef toe dat ik nog nooit heb gezien, noch in het leven dat ik zelf heb geleid noch in die waarover ik heb gelezen (en nog veel minder in de levens die ik beschreven heb), dat een vrouw werd gekozen door een man. Integendeel zelfs, en met een beangstigende regelmaat. Dit geval is eens te meer een concreet voorbeeld. Maar ik ben natuurlijk verdacht. Niet alleen is de schoonheid in the eye of the beholder, hetzelfde geldt ook voor de logica van het leven.

Carolina wilde Artur, hoewel zij enkele treden van de ladder boven die zot zat. Zij had hem gekozen. En terwijl ik op Aristides zat te wachten, werd nu voor mijn ogen bewezen dat ze de fout had gemaakt om te denken dat zij ook door hem was gekozen.

Een berekeningsfout of een verkeerde inschatting?

Haar uitnodigingen bijvoorbeeld. Het staat vast dat Artur er een keer onderuit wist te komen. “Tja, morgen heb ik een belangrijke vergadering.”

Maar verder had hij er zich nooit onderuit gepraat. Zij had gedacht: hij is verlegen of hij verkoopt zich duur. En dat had ze charmant gevonden: een man die gemaakt was om zich als een koket meisje te gedragen. Dat had iets schattigs.

Net zomin kon hij zijn onschuld aantonen. Wie was het die nog maar een week geleden had gezegd: “Carolina, wat dacht je van het Gulbenkian ballet morgen? Ik heb twee kaartjes.” (3) (Zij kon niet,  maar had daar veel spijt van omdat ze ontzettend graag wilde gaan, maar van de ene op de andere dag kon ze geen babysitter meer krijgen). (3. Ja lezer, geloof het alsjeblieft, het Gulbenkian Fonds had in die periode een balletgezelschap (1965 – 2005).)

Maar goed. Het masker van de volmaakte engel was gevallen. Omdat … Zij was mooi, bloedmooi. Je zou voor haar sterven.  Dus waarom stierf hij niet, de sukkel? Wat was zijn probleem?

Rustig lezer, we komen er wel. Wie haast heeft, moet maar televisie gaan kijken.

Heel wat jaren geleden kenden ze elkaar vaag. Vaag is het juiste woord. Ze glimlachten al naar elkaar toen ze naar de universiteit gingen, maar vanaf een afstand. Verlegenheid van zijn kant. Hij bereikte stratosferische hoogten van klungeligheid wanneer hij werd ingepalmd. Maar ook zij was verlegen, hoewel de meisjes van het Technisch Instituut nooit zo gehinderd werden door dat obstakel. Ze waren allebei lid van dezelfde supportersvereniging, in de jaren 70 waren ze op dezelfde feesten geweest. In die tijd vond hij haar “heel cool”. Maar er waren dertig honden en één bot, sneeuwwitje en de zeventig informatica ingenieurs. (Ik maak maar een grapje, want er bestond nog geen Technische Informatica in die tijd). Artur was nog aan het overwegen hoe hij zijn wapen uit het holster moest trekken toen de ander de trekker al had overgehaald. En hij moest aanzien dat dat tot het einde der tijden zou duren, tenzij haar vriend een dwaas was.

De vriend van Carolina was allesbehalve een dwaas. Het bewijs? Hij had haar doorzien.

Vervolgens werd het klassieke parcours afgelegd. Carolina en haar vriend gingen uiteindelijk samenwonen en het huwelijk kwam al in zicht. Ze trouwden om zeer Portugese redenen: luiheid en pragmatisme. Aan de ene kant de invloed van de ouders die hen bedolven onder de gebruikelijke huishoudelijke spullen en giften in geld. En ze waren ook niet in staat om in te zien dat “de familie en de tantes een plezier doen” geen reden is om naar de kerk te gaan om daar onzin uit te kramen als “in goede en in slechte tijden, in armoe en in rijkdom, totdat de dood ons scheidt”. Alleen de uitspraak ‘liefde voor altijd’ is belachelijker. Allemachtig! Wie liefde voor altijd wil, kan beter een hond kopen.

Mensen hebben een heel vreemde houding ten opzichte van problemen: ze geloven dat ze, zoals ziektes, vanzelf genezen als we ze maar de tijd geven. Het punt is: niet altijd, lang niet altijd.

Ze kregen een kind, tussen al enkele affaires door. Van de echtgenoot vooral, zoals gewoonlijk. Ik weet het lezer, het is moeilijk te geloven, maar in die dagen was het bijna altijd de echtgenoot die als eerste zijn verdediging liet zakken.

En in die tijd van verslapping barst de bom. Op een dag komt de echtgenoot verdacht laat thuis. Carolina is wakker en ontsteekt in een alcoholische woede. Er volgt een fikse ruzie en de echtgenoot belooft de ander te laten schieten. Carolina verkoopt hem een mep, hij slaat terug en het draait erop uit dat de sukkels goedmaakseks hebben op de bank in de woonkamer. Acht maanden later, als Carolina hoogzwanger is, verschijnt er een nieuwe vriendin ten tonele. Die is meedogenlozer en gedecideerder dan haar voorgangsters. “Je vrouw of ik, kies maar.” De vriendin was jonger, Carolina leek op een waggelende eend. De echtgenoot maakte de juiste keus.

Nu staat de ex-echtgenoot al meer dan twee jaar buitenspel en daar zit Artur intiem te dineren met Carolina. Ze is mooi en begeerlijk, ik en mijn maatje God zijn getuigen. Ze hadden geflaneerd op de Rua Garret en veel gelachen. Ze waren zenuwachtig en gelukkig en hadden afgesproken om elkaar weer te zien. En, wonderlijk maar waar, ze hadden elkaar ontmoet. Tot Arturs verrassing had zij hem uiteindelijk opgemerkt. Hij die eigenlijk altijd daar was. Hij kwam daar al sinds lang en zat er op de reservebank, als een kandelaar, een asbak, een lamp.

Hij leek nu anders. Serieuzer, veranderd. Hij zag er goed uit. Hij had het uiterlijk van een manager van een grote onderneming, maar, legde hij uit, hij was maar de adjunct van de adjunct van een directeur van een of ander instituut dat in het leven was geroepen om de aangekondigde mijn van CE (4) uit te baten. Ze kwam op subtiele wijze te weten dat hij niet met iemand was. Ja, ook hij was uit een slechtlopende relatie gestapt en hij was zo vrij als een vogeltje. Niet zo’n vogeltje dat in een kooi zit. Ook niet zo een die je met een katapult naar beneden haalt. Een van die andere vogels. Haar gezicht was tien posters langs de boulevard waard toen hij zei dat hij vrij man was. Maar nog steeds had hij in al die weken dat ze elkaar zagen zelfs niet één  enkele poging gedaan om haar te kussen, wat volgens een duizend jaar oude legende juist levens redt. (4. ‘Europees Sociaal Fonds’. Mooie tijden. Alleen degene die echt niet wilde verdiende er geen geld aan.)

En nu waren ze hier, in dit kleine Italiaanse restaurant. Ze spraken met zachte stem en waren uiterst beleefd en onhandig met elkaar. Een Zweeds restaurant zou geschikter zijn geweest voor de beleefdheid van die twee, maar iedereen weet dat de realiteit nooit een groot gevoel voor schoonheid heeft gehad. Verdomd, ze was vrij, beschikbaar, en ze wilde hem. Hij wilde haar ook. Dus wat was het probleem?

Er was een probleem. Ach, het probleem, het probleem, ach.

“Wat wil je zeggen, Artur?”

“Het spijt me. Maar … er kan echt niets zijn tussen ons.”

En Carolina, die het niet begreep of slim of wanhopig was, dééd alsof ze het niet begreep:

“Wat bedoel je daarmee, Artur?”

Het trillen van haar onderlip gaf aan dat ze heel goed begreep wat hij daarmee bedoelde.

Artur trok een grimas. Hij keek naar zijn lasagne, maar de lasagne schoot hem niet te hulp. Het was moeilijk om te zeggen wat hij te zeggen had. Het is altijd moeilijk om iets moeilijks te zeggen.

Er is, of tenminste er was, een rangorde in de voedselketen. Vrouwen kennen die goed.

De Gescheiden Vrouwen zijn gediskwalificeerd a) wanneer ze kinderen hebben, b) terwijl de jaren verstrijken. In zekere zin kun je het een beetje vergelijken met atleten die bij onze grote clubs op het hoogste niveau schitteren, maar die als ze eenmaal 30 jaar zijn hun marktwaarde zien dalen en uiteindelijk bij een derde divisie club spelen – of zelfs bij Sporting. Na verloop van tijd kan elke man van een vrouw zeggen: “Die zit in de tas.”

(Ik heb bijvoorbeeld Angelina Jolie op het oog. Nog maar een paar jaar om te zien of ze niet direct in mijn armen valt. Ik zet twintig euro in, lezer. Ah, u geeft de voorkeur aan dollars. Voor een lezer bent u heel schappelijk, beste lezer.)

Tijd. Mannen hebben de tijd, alle tijd van de wereld. Het zijn de vrouwen die moeten oppassen: de tijd verloopt in hun nadeel. Tijd & Kinderen, ze zijn het slechtst voor het algemeen klassement, zoals een wielrenner wordt gepakt wegens doping. De onzin van The Sound of Music werkt omdat degene die de zeven kinderen had die klungelige acteur van een kapitein Von Trapp was. Was Julie Andrews de moeder-weduwe van de zeven dwergen geweest, dan was ze er nooit mee weggekomen, zelfs niet met alle do, re, mi, fa, sols van de wereld. Neem dat maar van mij aan, lezer, want ik ben bereisd en mijn geheugen vliegt hoger dan Dombo.

Artur: “Ik denk dat het beter voor ons is …”

Als versteend bleef Carolina naar Artur kijken. Hij werd bijna kwaad.  Als ze op zijn minst haar ogen had neergeslagen op dat moment. Hij wilde graag uitschreeuwen: “Kijk, achter mij, een vogel! Een vliegtuig! Superman!” Of: “Een man die niet bang is voor een mooie en verliefde vrouw met twee kleine kinderen!”

Maar hij schreeuwde helemaal niet, onze Artur. Hij beperkte zich tot de afsluitende zin:

“Weet je … Ik denk … Ik denk dat het beter is dat wij alleen maar goede vrienden zijn dan … slechte minnaars.”

Klaar. Hij had haar alles gezegd. Nu kun je bij de knieën van je tantetje gaan zitten, Artur. Je kunt nu om een ijsje vragen, je kunt de beker al mee naar huis nemen.

Carolina legde haar bestek neer. Het roestvrij staal kwam niet geruisloos in aanraking met de rand van het emaillen bord. Ze sprak met rustige stem en discreet. Maar ze wist absoluut zeker dat iedereen naar hen aan het kijken was. Ik weet niet of iedereen keek, maar ik in ieder geval wel. Ze hadden allebei rode oren. “Slechte minnaars? Wat voor onzin kraam je uit, Artur? Doe niet zo belachelijk. Wie heeft ooit over zoiets gesproken? We dineren alleen maar als vrienden, dat is alles. Sla geen zielig figuur, Artur.”

Hij was bang dat ze dat zou zeggen, hem het tapijt onder de voeten zou wegtrekken, zou bedriegen, doen alsof ze niet begreep dat ze aan het spelen waren, het spel aan het spelen. Hij was daar bang voor en tegelijkertijd wenste hij het. Want alles goed en wel, het zou toch het beste zijn als ze dat deed. Als ze zou doen alsof ze het niet begreep, zou het een lage truc van haar zijn en dat zou het hem makkelijker maken om ervandoor te gaan. Als ze deed alsof ze gek was, had Artur alle recht om zich te ergeren (aan haar laaghartigheid) en vervolgens zou de straffende vlucht Volledig Gerechtvaardigd zijn.

Pech voor hem. Hoewel Carolina alleen maar haar schouders ophaalde, was ze pijnlijk getroffen. Ze fluisterde trefzeker:

“Is het vanwege de kinderen?”

Artur was ontwapend. Nou ja zeg, hoe kon ze dat van hem denken? Nee natuurlijk niet!

“N-nee. H-hoe bedoel je dat?”

Wanneer we onder vuur liggen, veranderen we allemaal in gewone interviewers, klonen van Maria Elisa en José Rodrigues dos Santos. Niets is beter dan de bal bij de tegenstander leggen om tijd te winnen.

“W-wat wil je daarmee zeggen, Carolina?”

Carolina boog haar hoofd:

“Het lijkt er bijna op alsof ik lepra heb …”

Geen lepra, dacht hij, maar kleine kinderen, zonder het te willen. Nog goed dat hij dat alleen dacht maar het niet zei. Hij haalde zijn calculator tevoorschijn en ja, hij berekende de redenen waarom hij zich niet wilde ‘engageren’ met de vrouw die hij meer dan vijftien jaar lang heimelijk had gewild.

  1. Hij wilde zich niet binden;
  2. Hij wilde haar geen pijn doen/zichzelf geen pijn doen;
  3. Hij wilde niet verliefd worden;
  4. Het was ‘goed’ zoals het was (zo nu en dan flirten zoveel als nodig, maar niet met iemand die hij zo ‘respecteerde’);
  5. Hij wilde haar niet kwijt, hij vond haar veel te leuk, en een affaire met haar zou betekenen dat hij haar halverwege zou verliezen;
  6. Hij wilde niet weer jaloersheid voelen en ook niet door al die gruwelijkheden gaan waarmee Liefde en Passie iemand heel pittoresk omhullen wanneer ze hem gezamenlijk in vuur en vlam zetten.
  7. Hij wilde niet, hij wilde niet, hij wilde niet …

De volgorde van de argumenten was willekeurig, maar het resultaat steeds hetzelfde. Het zat er gewoonweg niet in. Het had erin kunnen zitten, in een andere periode, in een andere tijd, maar nu zat het er niet in. Nee, nee en nog eens nee.

En dit etentje, concludeerde hij, moest een elegante en sympathieke manier zijn om een eind aan het gedoe te maken. Een sympathieke en elegante manier om een eind aan alles te maken voordat het te laat was.

“Maar je moet weten dat ik heel veel om je geef, Carolina … Ik wil bevriend met je blijven … Als je dat toelaat.”

Wat moet je op zulke momenten zeggen? Als de lezer het weet, moet hij me bellen naar doorkiesnummer 214, tijdens de gangbare werkuren. Het beste advies wordt beloond.

Het spel is heel mooi. Maar het spel is ook een juk. Terwijl we denken dat we in alle vrijheid aan het spelen zijn, zijn we veroordeeld tot beperkte combinatiemogelijkheden.

En hoe ging het verder met ons stelletje? Wel, wat hun betreft niet. Carolina en Artur zouden nooit Carolina & Artur worden. Ze beëindigden hun etentje koel en kalm, nou ja, zo koel en kalm als de omstandigheden toelieten. Artur wilde betalen (dat was wel het minste wat hij kon doen), maar Carolina stond erop dat ze ieder de helft voor hun rekening zouden nemen.

In die tijd had je nog geen mobieltjes, maar al wel de notie dat de man niet voor het eten hoefde te betalen, vooral niet als daaronder de heimelijke suggestie zat verborgen dat hij daarmee enkele centimeters dichter naar het bed kocht. In dit geval was het wat betreft Carolina misschien het tegendeel. Het besef dat in dit specifieke geval Artur het eten laten betalen betekende dat de hork de laffe vlucht van het Aangekondigde Bed vandaan kocht.

Hoewel Carolina best had kunnen zeggen: “Maak je niet druk, idioot, ik wil geen vastigheid. Ik zou het alleen leuk vinden om eens een keer met je naar bed te gaan. Weet je hoelang ik al alleen slaap?”

Maar Artur wist, en daarin geef ik hem volkomen gelijk, dat vrouwen altijd liegen. Het begint ermee dat ze zeggen dat het maar gewoon seks is en daarna hebben ze ons bij de veter: “Jongen, we bezegelen onze heilige overeenkomst. Nu zijn we één totdat het tegendeel bewezen is.”

Want vrouwen weten dat seks, zelfs al is die vrijblijvend, op de een of andere manier altijd de toegang tot de heilige tempel is. De eerste stap van een pelgrimstocht naar het contract. Sommigen, de brutalen, vergeten dat. Maar dit voelde Artur goed aan, zelfs in zijn heilige onwetendheid: dat “maar een wip voor een nacht” meestal niet de moeite waard is. Nooit, vooral wanneer de Macht van Amor groot is. Ik zeg dit zonder veel plezier. Ik zou wensen dat het tegendeel waar was. (5. Ja, ja, mijn vrienden vragen me: “Rui, waarom heb je het alleen maar over gevallen die slecht aflopen wanneer je liefdesverhalen schrijft?” Ik antwoord dan niet, maar misschien zou ik moeten zeggen: “Omdat het de geschiedenis van mijn leven is. Dat is wat ik te vertellen heb en iemand kan, hoeveel verhalen hij ook bedenkt, alleen zijn eigen geschiedenis vertellen. Die verhalen dienen om de balans van je leven op te maken en welke andere balans kan iemand opmaken dan die van hemzelf? Is dat mooi? Nee, dat is niet mooi. Maar zo is het nu eenmaal, het moet zo zijn. Het is niet anders.)

Carolina en Artur namen afscheid van elkaar en zeiden dat ze elkaar “een dezer dagen” weer zouden zien.

We zijn inmiddels twintig jaar verder. Het is triest maar natuurlijk niet dodelijk. Geen van beiden stierf van verdriet. Carolina ontmoette tenslotte een of andere provinciaal en na hem weer anderen. Van een van hen, van wie ze zich een tijd geleden liet scheiden, kreeg ze nog een kind, dat op een dag naar de universiteit zal gaan. Mooi als ze was, had ze geen probleem. Het bleef ertoe beperkt dat haar marktwaarde nog wat daalde. Artur zou er uiteindelijk ook mee ophouden om zich verder te verliezen in het voor altijd gelukkig zijn.

Het is triest, maar zoals gezegd niet dodelijk. Liefdesgeschiedenissen zijn net pasgeboren schildpadjes. Het grootste deel sterft op het strand en bereikt het water niet. En dit verhaal bevat tenslotte nog een komisch detail: Artur en Carolina zijn niet eens zover gekomen dat ze elkaar hebben gekust. (6. Is de lezer niet tevreden over het verhaal? Wilde hij bloed? Wat een armoe, tegenwoordig wil iedereen bloed zien! Goed, ik geef u bloed. verkeersongevalHerinnert u zich Aristides nog, die vriend op wie ik zat te wachten? Welnu, uiteindelijk had hij zich niet verlaat. Hij werd voor het restaurant overreden. En, als ik me niet vergis, door een lezer die haast had om op tijd te komen voor een vechtfilm in de bioscoop ernaast. Bent u nu tevreden?)

****************************************

Rui Zink – Um Romance (2012)

Rui ZinkRui Zink, nasceu em Lisboa, em 1961. Escritor, tradutor e professor no Departamento de Estudos Portugueses da Universidade Nova de Lisboa, tem mais de duas dezenas de obras publicadas. Algumas delas traduzidas para inglês, alemão, hebraico, japonês, romeno, italiano, sérvio, croata e francês.

— • —

O leitor tem um instantinho? Também perdeu o comboio, como eu, e agora está aqui a fazer horas? Então deixe-me contar-lhe uma história. Juro que vai valer a pena. Vai ser a mais linda história que alguma vez leu. Enfim, talvez não a mais linda. Talvez nem seja linda sequer. Mas o leitor achá-la-á linda, e levá-la-á consigo, junto ao coração, como eu a tenho trazido junto ao meu.

Esta aventura foi antes dos telemóveis. Não muito antes, mas um antes algum antes. Nos anos 80, salvo erro. Num restaurante que ficava ao lado dum cinema, quarta ou quinta à noite, eu tinha ficado de jantar com o Aristides antes do filme, mas ele estava mais atrasado que de costume. Para fazer tempo pus-me a olhar à volta, e acabei por me interessar por um parzinho na mesa ao lado, nervositos pela adivinhação mútua do que, para mim, é o ponto de rebuçado dos encontros amorosos: a noite em que quase de certeza. A noite em que.

De resto, nem seria preciso o meu olhar treinado para perceber que era um jantar romântico. Homem e mulher, nos trinta e poucos. Ela: bonita, ar enxuto. Ele: pãozinho meio-sal. As feromonas tinham sido inventadas há pouco mais de vinte anos, mas um escritor não precisa romantisch etentjeda ciência para saber o que vê. (1) Tensão óbvia, romance anunciado. Aperaltados, sobretudo ela. Jantar romântico. O programa da época, decerto: jantar —> cinema —> beijo. O meu diagnóstico certeiro apenas admitia uma dúvida: se, por inaceitável incúria, adiariam a coisa para ainda mais um assalto (mais uma corrida, mais um encontro) antes do apito final. [1) Por Peter Karlson e Adolf Butednant (cf. Wikipédia]

Falavam baixo, como se faz nestes casos. Felizmente, além de olhos para ver e cabeça para matutar, o observador atento que eu sou foi sobredotado com orelhas de oiro.

“Desculpa, Carolina”, disse ele. “Mas acho que não podemos…”

Fiquei banzado. Ele disse isto com um ar seriíssimo, a garganta mais presa que numa cela da Pide. Daquelas vozes que uma pessoa faz quando tem algo de excéssivement grrrave para dizer. (2) [2) O leitor não sabe o que era a Pide? Eu agora não tenho tempo para explicar, mas posso dizer onde era: no sítio onde agora é aquele condomínio giro, na António Maria Cardoso, ao Chiado.]

Carolina estremeceu. O que pode uma mulher fazer, quando escuta uma coisa destas? “Desculpa, acho que não podemos…”

Não haveria outra forma de o imbecil dizer aquilo? Desculpa, filha, o que houve entre nós acabou. Nem outro local?

Felizmente (as mulheres nisto são incríveis), se Carolina por um momento perdeu o equilíbrio, logo o recuperou:

“O que queres dizer com isso, Artur?”

Foi a vez de ele engolir em seco. Pigarrear. Coçar a cabeça. Etc.

“Bem…”

Este Artur (e tinha mesmo cara de Artur, o pobre) devia saber que ia ser difícil. E eu fiquei desapontado com o meu olhar treinado. Pensava que estavam ainda na tal noite e, afinal, pelos vistos, iam já no descerrar da cortina cinzenta que, mais cedo ou mais tarde, se abate sobre as coisas de amor. Mas logo me recompus, ao perceber o dilema de Artur: era evidente que ele não queria rejeitá-la, pelo contrário, amava-a (era visível a olho nu, ou mesmo vestido), desejava-a (oh, se a desejava), estava apanhadinho por ela (ai estava, estava). O problema era que. O problema…

Enfim, qual era o problema?

Artur foi salvo pelo gong, porque os pratos vieram. Para ela cannelloni. Para ele lasagna. Uma escolha apropriada, pareceu-me.

“Carolina, não quero fazer isto pior do que já está…”

E Artur tirou uma garfada da sua lasagna. Houve um lado bom e um lado mau nesta garfada. O lado bom é que era um truque eficaz para ganhar tempo, protelar a explicação obrigatória que, mal explicada, só o levaria a embrulhar-se mais. O lado mau é que aquela não era ocasião para ocupar a boca com outra coisa que não palavras. Palavras de preferência doces, carinhosas, compreensivas. E compreensíveis, já agora, se não fosse muito incómodo para o estimado cavalheiro. Palavras ou um beijo. Um beijo suave, nos lábios, dado por sobre mesa e copos e pratos.

Num ápice, não me pergunte como, que um mágico nunca revela os seus segredos, fiquei a saber tudo. Havia dois meses que se encontravam com crescente frequência. No caso dela isso implicava um grande esforço logístico, pois tinha dois filhos pequenos. Ainda não era o tempo dos computadores nem da internet nem do facebook, mas já então virara moda o divórcio com as crianças ainda pequenas. As teorias variavam: a crise dos dois anos, a crise dos cinco anos, a crise dos… Uma análise comezinha à realidade provaria, suponho, que a crise é permanente. Sempre foi mais fácil destruir do que construir. Criticar do que fazer. Ou falhar uma promessa — “amar-te-ei para sempre” — do que levar a bom porto essa ingénua jura. Um dos muitos encantos de Carolina era a franqueza. Um par de vezes tomara ela própria a iniciativa e convidara Artur a sair. Mostrando assim, com frontalidade, o seu interesse por ele. Mais frontal só esfregando o fio dental no focinho dele. Só que, à época, fio dental era apenas um cordão para limpar os dentes.

Tinham já ido a um cinema. Dado um passeio. Jantado fora. Ido a outro cinema. De novo jantado fora. Ido ao teatro. Naquele tempo ia-se ao teatro, eu sei, é difícil de acreditar. O leitor sabe o que significava nos anos 80 um homem e uma mulher “jantarem fora”? Havia (não sei se ainda há, hoje saio pouco) toda uma diferença entre “almoçar” e “jantar”. Não se ia para um jantar de ânimo leve, não senhora! Um jantar a dois, sobretudo se repetido, era toda uma promessa.

Aliás, pensando bem, quase sempre fora Carolina quem tomara a iniciativa. Mulher divorciada, ora aí está. Mulher fora de jogo que quer regressar ao jogo. Nada de mais justo. Ela queria voltar ao jogo, e o jogo também queria voltar a ela. E por que não? Tinha direito. Era jovem, bonita, inteligente. E mesmo que não fosse — teria direito à mesma. A jogar o jogo. O problema era que, pelos vistos, escolhera o parceiro errado para o jogo. Este Artur… Só à chapada.

Tenho uma teoria: são sempre as mulheres que escolhem os homens. Tenho também outras teorias, e esta nem sequer estou seguro de que seja minha, mas o importante não é isso. O importante é que faz sentido. Os homens seduzem as mulheres? E desde quando? Confesso que nunca vi, nem na vida que vivi nem nas que li (e muito menos nas que escrevi), uma mulher “ser escolhida” por um homem. O contrário sim, e com assustadora frequência. Este caso é apenas mais um exemplo concreto. Mas eu, claro, sou suspeito. Não é só a beleza que está no olhar de quem vê, é também o sentido da vida.

Carolina, embora estivesse uns furos acima daquele panhonhas, queria Artur. Escolhera-o. E, dava agora conta disso à minha frente enquanto eu esperava o Aristides, ela cometera o erro de pensar que também fora escolhida por ele.

Erro de cálculo ou de apreciação?

Os convites dela, por exemplo. É certo que uma vez Artur se esquivara. “Hum… amanhã tenho uma reunião importante.”

Mas não se esquivara por aí além. Ela pensara: é tímido ou está a fazer-se caro. E até achara graça: um homem feito a comportar-se como uma menina coquete. Tinha o seu lado querido.

Tampouco ele podia argumentar inocência. Quem é que ainda a semana passada havia dito: “Carolina, bailado Gulbenkian amanhã? Tenho dois bilhetes.” (3) (Ela não pôde, tinha imensa pena porque queria imenso ir, mas dum dia para o outro não conseguia babysitter.) [3) Sim, leitor, acredite se quiser, a Fundação Gulbenkian teve em tempos uma companhia de bailado (1965-2005).]

Ora bem. Caída a máscara do completo anjinho. Até porque…

Ela era linda, de morrer. De morrer por ela.

Então por que não morria o desgraçado? Qual era o problema dele?

Calma, leitor, já lá vamos. Quem tem pressa vê televisão.

Conheciam-se vagamente há muitos anos. Vagamente é a palavra. Já quando andavam na faculdade se sorriam — mas à distância. Timidez dele, que atingia níveis estratosféricos de incompetência quando ficava enlevado, timidez também dela, embora no Técnico as raparigas nunca fossem tão prejudicadas por esse óbice. Pertenciam ambos ao mesmo clube partidário, nos anos 70 tinham ido às mesmas festas, já então ele a achava “muito gira”. Mas era trinta cães a um osso, branca de neve e os setenta engenheiros informáticos. (Estou a brincar, ainda não havia Engenharia Informática naquele tempo.) Ainda Artur ponderava como sacar a arma do coldre, já o outro tinha puxado o gatilho. E dava para ver que, a menos que o namorado fosse parvo, aquilo ia durar até ao fim dos tempos.

O namorado de Carolina era tudo menos parvo. A prova? Tinha-a catrapiscado, não tinha?

Depois, seguiu-se o percurso clássico. Carolina e o namorado acabaram por ir viver juntos e o casamento lá surgiu. Casaram por portuguesíssimas razões: inércia e sentido prático. Por um lado a influência dos pais, que os subornaram com os habituais utensílios domésticos e prendas em dinheiro. E foram também incapazes de perceber que “dar uma alegria à família e às tias” não é razão para ir à igreja dizer disparates como “para o melhor e para o pior, na pobreza e na riqueza, até que a morte vos separe”. Mais ridículo só a do “amor para sempre”. Por amor de Deus! Quem quer amor para sempre compre um cão.

As pessoas têm uma relação muito curiosa com os problemas: acreditam que, como as doenças, eles se curam a si próprios se dermos “tempo ao tempo”. O problema é que: nem sempre, nem sempre.

Depois tiveram um filho, já com algumas histórias pelo meio. Do marido, sobretudo. O costume. Eu sei, leitor, é difícil acreditar, mas naqueles tempos era quase sempre o marido o primeiro a baixar a guarda.

E, já em período de descontos, a bronca de alguidar estala. Um dia, o marido volta suspeitosamente tarde. Carolina está acordada e em furor alcoólico. Há discussão da grossa, o marido promete deixar a outra, Carolina dá-lhe um estalo, ele dá-lhe outro a ela e, estúpidos, fazem “as pazes” no sofá da sala. Oito meses depois, com Carolina gravidíssima, entra em cena nova namorada do marido, mais implacável e decidida que as anteriores. “A tua mulher ou eu, escolhe.” A namorada era mais jovem, Carolina parecia um pato a andar. O marido escolheu bem.

Agora, o ex-marido há mais de dois anos fora de jogo, ali estava Artur no jantar íntimo a dois. E Carolina também no jantar íntimo a dois. Bonita e desejável, eu e o meu compincha Deus somos testemunhas. Tinham-se tropeçado na Rua Garrett, rido muito, nervosos e felizes, combinado voltar a encontrar-se. E, milagre, tinham-se encontrado. Para espanto de Artur finalmente ela reparava nele; ele que, no fundo, estivera sempre ali. Há muito tempo que estava ali, no banco de suplentes, como um candeeiro, um cinzeiro, um abajur.

Ele agora parecia diferente. Mais sério, mudado, com bom ar. Parecia um gestor de empresas, embora (ele explicou) fosse apenas adjunto do adjunto de um presidente de um qualquer instituto criado especificamente para sugar a anunciada mina da CE. (4) Subtilmente ela conseguiu saber que não, ele não estava “com ninguém”. Sim, também ele saíra de uma relação que correra mal e estava livre como um passarinho. Não um daqueles passarinhos que estão em gaiolas. Os outros. Também não dos que vão ao chão com uma fisga. Dos outros. O rosto dela quando ele disse que estava livre valia por dez cartazes à beira da estrada. Mas nem assim, em todas estas semanas de encontros, ele avançara alguma vez para o boca-a-boca que, segundo uma lenda milenar, salva vidas. [4) “Fundos Sociais Europeus”. Bons tempos. Só não fez dinheiro quem não quis.]

E agora aqui estavam, neste pequeno restaurante italiano, falando em voz baixa (sotto voce) e sendo extremamente polidos e palermas um com o outro. Um restaurante sueco seria mais adequado à polidez dos dois, mas toda a gente sabe que a realidade nunca teve grande sentido estético. Que diabo, ela estava livre, disponível — e queria-o. Ele também a queria. Então cadê o problema?

O problema era. Ai, o problema. O problema. Ai.

“O que queres dizer, Artur?”

“Desculpa. Mas… não pode haver nada entre nós.”

E Carolina, desentendida ou esperta ou desesperada, fazendo-se desentendida:

“O que queres dizer com isso, Artur?”

O estremecer no lábio inferior indiciava que ela percebia, percebia muito bem o que ele queria dizer com aquilo.

Artur fez um esgar. Olhou para a lasagna, mas a lasagna não o socorreu. Era difícil dizer o que tinha a dizer. É sempre difícil dizer uma coisa difícil de dizer.

É que há, ou pelo menos havia, uma tabela na cadeia alimentar. As mulheres conhecem-na bem.

As Mulheres Separadas são desclassificadas a) quando têm filhos, b) à medida que os anos passam. De certo modo, é um pouco como aqueles atletas de alta competição que brilham nos grandes clubes mas, depois, fazem 30 anos e perdem valor de mercado e acabam a jogar em equipas de terceira divisão — ou até mesmo no Sporting. Se der tempo ao tempo, qualquer homem pode dizer de uma mulher: “Ela está no papo.”

(Eu por exemplo tenho a Angelina Jolie debaixo de olho. Só mais uns anos, a ver se não me cai direitinha nos braços. Aposto vinte euros consigo, leitor. Ah, prefere dólares. Para leitor, você até bastante sensato, caro leitor.)

Tempo, os homens têm tempo — todo o tempo do mundo. Já as mulheres, que se cuidem: o tempo corre contra. Tempo & Filhos — piores para a classificação na geral que ser apanhado por doping para um ciclista. A treta da Música no Coração funciona porque quem tinha as sete crianças era o canastrão do capitão von Trapp! Fosse Julie Andrews a mãe viúva dos sete anões e nunca se safaria, nem com todos os dó ré mi sóis do mundo. Vá por mim, leitor, que eu sou viajado e a minha memória voa mais alto que o Dumbo.

Artur: “Acho melhor para nós…”

Petrificada, Carolina continuou a olhar para Artur. Ele quase ficou com raiva. Se ao menos desviasse os olhos, por um momento que fosse. Apeteceu-lhe gritar: “Olha, atrás de ti, um pássaro! Um avião! O super-homem!” Ou: Um homem que não se assusta com uma mulher linda e enamorada com dois filhos pequenos!

Mas não gritou nada, Artur. Limitou-se a concluir a frase:

“Sabes… Acho… Acho melhor sermos apenas bons amigos do que… maus amantes.”

Pronto, disseste-a toda. Agora já podes sentar-te ao colo da titi, Artur, já podes pedir o gelado, já podes levar a taça para casa.

Carolina poisou os talheres, e isso fez ruído — o embater do aço inoxidável na borda do prato de esmalte. Ele falara baixo, discreto, mas ela tinha a certeza absoluta de que estava toda a gente a olhar para eles. Toda a gente não sei, mas eu pelo menos estava. Ambos tinham as orelhas coradas. “Maus amantes? Que disparate está para aí a dizer, Artur? Não seja ridículo. Quem é que falou em tal coisa? Estamos apenas a ter um jantar de amigos, é tudo. Não faça figuras tristes, Artur.”

Ele temia que ela dissesse isto, tirar-lhe o tapete debaixo dos pés, fazer batota, fingir que não percebia que estavam a jogar, a jogar o jogo. Temia e, ao mesmo tempo, desejava. Porque, pensando bem, até seria o melhor se ela fizesse isso. Caso ela se fingisse desentendida, seria um golpe baixo e isso tornaria mais fácil a fuga. Caso ela se fizesse de parva Artur teria toda a legitimidade para se irritar (com a baixeza dela) e, destarte, a fuga punitiva ficaria Inteiramente Justificada.

Só que, azar o dele, Carolina apenas se encolheu, dorida. Murmurando, certeira:

“É por causa das crianças?”

Artur ficou desarmado. Ná, como podia ela pensar isso dele? Não. Claro que não!

“N-não. C-como podes dizer isso?”

Quando estamos na berlinda, transformamo-nos todos em entrevistadores hábeis, clones de Maria Elisa e José Rodrigues dos Santos. Nada como passar a bola ao adversário para ganhar tempo.

“C-como podes dizer isso, Carolina?”

Carolina baixou a cabeça:

“Quase parece que tenho lepra…”

Lepra não, putos, pensou ele, sem querer. Ainda bem que não o disse, apenas o pensou. Puxou da calculadora e, sim, contabilizou as razões por que não se queria “envolver” com a mulher que tinha secretamente desejado durante mais de quinze anos.

  1. Não se queria comprometer;
  2. Não queria magoá-la/magoar-se;
  3. Não queria apaixonar-se;
  4. Estava “bem” como estava (flirts ocasionais q.b., mas não com uma pessoa que “respeitava” tanto);
  5. não queria perdê-la, gostava demasiado dela, e uma história com ela seria meio caminho andado para a perder;
  6. Não queria voltar a sentir ciúmes nem a passar por todos aqueles horrores que, pitorescos, enfeitam o Amor e a Paixão quando combustam juntos;
  7. Não queria, não queria, não queria…

A ordem das alíneas era arbitrária, mas o resultado sempre o mesmo. Não dava. Podia dar, podia ter dado noutra altura, noutro tempo, mas agora não dava. Não dava não dava não dava não dava.

E este jantar devia ser, concluíra ele, isso. Uma forma elegante e simpática de pôr fim às coisas. Uma forma simpática e elegante de pôr fim às coisas antes que fossem longe demais.

“Mas sabes que gosto muito de ti, Carolina… Quero continuar a ser teu amigo… Se me deixares.”

O que se diz nestas alturas? Se o leitor souber, ligue-me para a extensão 214, no horário de expediente normal. Dão-se alvíssaras ao mais avisado conselho.

O jogo é muito bonito. Mas o jogo é também um jugo. Pensando estar a jogar em liberdade, estamos condenados a combinatórias limitadas.

E quanto a eles, ao nosso casalinho? Bem, quanto a eles, nada. Carolina e Artur nunca chegaram a ser Carolina & Artur. Acabaram o jantar calma e friamente, enfim, o mais calma e friamente que as circunstâncias permitiam. Artur quis pagar (era o mínimo) mas Carolina insistiu em que fosse a meias.

Nessa época ainda não havia telemóveis, mas já havia a noção de que o homem não tinha de “pagar o jantar”, sobretudo se sub-reptícia estivesse a sugestão de que isso compraria uns centímetros mais de proximidade de cama. Neste caso, da parte de Carolina talvez fosse o contrário. A noção de que, neste específico caso, deixar Artur pagar o jantar comprava ao burgesso a fuga cobarde da Cama Anunciada.

Carolina bem que poderia ter dito: “Não te preocupes, idiota, não quero compromissos. Só gostava de dormir contigo por uma vez que fosse. Sabes há quanto tempo durmo sozinha?”

Mas Artur sabia — e nisto dou-lhe inteirinha razão — que as mulheres mentem sempre. Começam por dizer que é apenas sexo casual e depois tramam-nos: “Camarada, selámos o acordo sagrado, agora somos um até prova em contrário.”

Porque as mulheres sabem que, mesmo casual, o sexo é sempre de alguma forma o portal de um templo sagrado. O primeiro passo de uma peregrinação a meias. Algumas, embrutecidas, esqueceram isso. Mas ao menos isto Artur intuía bem, mesmo na sua santa ignorância: que, o mais das vezes, “queca duma noite só” não vale a pena. Nunca, sobretudo, quando o Potencial de Amor é grande. Digo isto sem grande alegria. Tomara eu que fosse ao contrário. (5) [5) Sim, sim, os amigos perguntam-me: Rui, por que quando escreves histórias de amor só falas de casos mal resolvidos? E eu não respondo mas se calhar devia responder: porque é a história da minha vida. É o que tenho para contar, e uma pessoa, por mais histórias que invente, só tem a sua história para contar. As histórias servem para deitar contas à vida, e que outras contas pode uma pessoa fazer senão as suas? É bonito? Não, não é bonito. Mas é assim, tem de ser assim, não pode senão ser assim.]

Carolina e Artur despediram-se e ficaram de se ver “um dia destes”.

Já lá vão mais de vinte anos. É triste mas, claro, não é letal. Nenhum deles morreu do desgosto. Carolina acabou por encontrar um bimbo qualquer e, depois desse bimbo, outro bimbo, outro bimbo. Com um deles, de quem se divorciou há uns tempos, até teve outro filho, que qualquer dia está a entrar para a faculdade. Linda como era, não houve problema. Bastou baixar ainda mais o seu grau de exigência. Artur também acabaria por se perder por aí e ser feliz para sempre.

É triste mas, de facto, não é letal. As histórias de amor são como as tartarugas-bebé, a maior parte morre na praia, nem chega a entrar na água. E esta tem até um pormenor cómico: é que nem um beijo sequer chegaram Artur e Carolina a dar. (6) [6) O leitor não está contente com a história? Queria sangue? Miséria, hoje todos querem sangue! verkeersongevalEstá bem, eu dou-lhe sangue. Lembra-se do Aristides, aquele amigo de quem eu estava à espera? Pois bem, ele afinal não se atrasou. Foi atropelado frente ao restaurante. E, salvo erro, por um leitor com pressa de chegar a tempo a um filme de porrada no cinema ao lado. Pronto, mais satisfeitinho?]

2 thoughts on “Um romance – Een liefdesgeschiedenis”

    1. To be honest: my choice was totally coincidental. I picked this story mainly because it was one of the smallest Portuguese e-books available. Fortunately, it turned out well. : )

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s